Er huilt een baby, vannacht, in de straat.
Het zal de storm wel wezen.

Het huilen bereikt
Gedragen door vlagen wind
Doorheen mijn open slaapkamerramen,
langs mijn wapperende gordijnen
Mij. Mij in mijn droom.

Ik ren. Over uitgestrekte velden.
Het geluid achterna.
Het waait, het stormt.
En als ik stil sta is het stil. Windstil.
Doodstil. Geen beweging.
Geen geluid. Geen huilen. Een bevroren decor.

Ik ren. Voor het leven. Want ik weet,
sneller – sneller, ze moet hier ergens zijn.
En in mijn rennen blijft het huilen.

Daar ligt ze. Onbeschermd, tussen afgewaaide takken,
Boomstronken en opstuivend zand. Ik zie een armpje wanhopig zwaaien
Ik roep. Ik schreeuw. Ik ben bij haar en kniel
Om haar op te pakken, haar te beschermen, gerust te stellen
Maar ze is een prop witte doeken.
Ik roep. Ik schreeuw. Ik ben bij haar en kniel
Om haar op te pakken, haar te beschermen, gerust te stellen.
En weer is ze een prop witte doeken.
En weer. En weer is ze

Leeg. Ze is al meegenomen.

Dan zak ik neer. Knieën in het zand.
Ik ben te laat. Telkens te laat.
Mijn handen zoeken mijn zwangere buik.
Mijn zwangere buik?!

En dan begrijp ik.
Het huilt in mij.

0 Comments

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *