Misschien moet ik maar gaan pakken
In dozen, alles dat ik ben
De bons van mijn hart,
Het stromen van mijn bloed,
De kleur van mijn ogen.

De manier waarop ik aan mijn nagelriemen pulk wanneer ik zenuwachtig ben,
de krullen die ik in mijn haar draai.
Mijn vingers,
Mijn oren,
mijn wimperhaartjes, één voor één,
die rare teen met een bochel,
In iedere doos past iets.

Dan het binnenwerk, ook die delen,
Mijn angst voor het alleen,
Het water dat ik dans,
Mijn verlangen en de tranen
Het gemis
De leegte
De golven die stukslaan op de kust die jij bent.

En uiteindelijk dat diepe,
dat geen naam heeft,
dat op de achtergrond geraakt is
dat ik zo moeilijk bereik, soms en
dat mij doet huilen wanneer ik het herken.
Daarvoor is een doos van hout,
met scharnieren en een slot.
Dan stapelt iemand mij op in een vrachtwagen
en dan ben ik nergens meer.

Na een paar uur rijden
laden we uit en maken we open.
Gewoon ergens opnieuw
in het zand bij een nieuwe zon of maan
alsof er nog niets is gebeurd.

En daar zet ik dan
mijzelf in elkaar
in alle rust,
met alle tijd,
Mijn handen eerst, want dat is handig,
mijn handen en mijn hart.

En geen haast dit keer
en geen paniek,
Zo bouw ik mijzelf op,
tot zelfs die rare teen met die bochel
en met dat diepe
dat geen naam heeft
warm, vertrouwend en ongeschrokken
voorop.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *